|
21/2/2010
Wat is de correcte regelgeving voor de bouwindex in verkavelingen voor groepswoingbouw? Zijn deze van toepassing op de gehele groep, op elk perceel binnen die groep of kan een stedenbouwkundig ambtenaar dit naar eigen zin interpreteren (vandaag zo, morgen anders en wanneer de plaats bezet wordt door een nieuwe ambtenaar nog maar eens anders)?
Antwoord:
De bouwindex waarnaar hier verwezen wordt zal waarschijnlijk de V/T index of vloer/terrein index zijn die geldt voor grotere gebieden die stedenbouwkundig moeten ingevuld worden. Ze bepaalt de verhouding tussen de vloeroppervlakte en de terreinoppervlakte. Het is een index die nauw samenhangt met de richtlijnen rond het aantal woningen per hectare, verschillend voor de zogenaamde buitengebieden en stedelijke gebieden die door de overheid bepaald werden in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen.
Net als zovele instrumenten uit de stedenbouw, is dit instrument van de V/T of won/ha een soms dubbel te interpreteren gegeven, naargelang welke kant van de tafel men zit uiteraard. Ontwikkelaars en bouwheren willen dikwijls zoveel mogelijk opbrengst uit hun eigendom verkrijgen en zullen trachten dan ook het maximale aandeel van terrein willen bebouwen. We spreken dan van een lage V/T coëfficient of een hoog aantal won/ha. Of net omgekeerd als de overheid hun te hoge dichtheden wilt opleggen zodat de bouwheer vreest dat de nieuw te bouwen eigendommen te klein gaan worden om op de markt te verkopen. Hoewel deze instrumenten beduidend minder vaag zijn dan de beruchte 'goede ruimtelijke ordening', bestaat er binnen deze instrumenten zoals eerder gezegd dus wel nog enige ruimte voor interpretatie: gaat men de (dikwijls opgelegde) groene ruimten, buffers, speeltuintjes en dergelijke meetellen om de oppervlakte te bepalen of niet? Gaat men de richtingggevende dichtheden uit het RSV volgen of niet (bv 15 won./ha voor een buitengebiedgemeente etc)?
Veel hangt inderdaad van de interpretatie van de leidinghebbende ambtenaar af, en dit kan zoals zovele stedenbouwkundige elementen die voor interpretatie vatbaar zijn, voor frustratie zorgen bij de bouwheer die met deze meningen geconfronteerd wordt.
Het enige wat je dan kan hopen is dat men het, zoals meestal wel het geval is, goed voorheeft met de ruimte in het algemeen. Al is dat soms dan ook tegen hun eigen zaak (portefeuille) in. Als men zich onterecht bejegend voelt kan men de hulp inroepen van een 'onafhankelijke' stedenbouwkundige, die de elementen die de bouwheer tracht te bereiken al dan niet verantwoordt naar de hogere overheid toe, of die een beroepsprocedure voor deze ontwikkelaar mee kan helpen begeleiden.
|